Weblog Kristien Hemmerechts

Forever young

26 / 01 / 2012
Ik woon bij het station van Berchem en daar zie ik ze weleens: groepen gepensioneerden die verzamelen blazen om een tentoonstelling te bezoeken, of een voorstelling bij te wonen, of een stad te verkennen. De stemming is altijd opperbest. Grote hartelijkheid bij de begroetingen, geïnformeer naar kinderen en kleinkinderen, en naar de gezondheid natuurlijk, en het vaste voornemen er weer een leuke dag van te maken. Gulle porties energie en levenslust hangen in de lucht. Met zijn allen ertegenaan, want van thuis blijven zitten wordt een mens chagrijnig. Dat klopt.

Uitstapjes met de klas

Als je oud bent, word je weer jong: je organiseert schoolreisjes en uitstapjes met de klas, alleen bepaal jij nu wie er bij je in de klas zit. Wanneer ik voorbij zo’n uitgelaten bende loop, versnel ik mijn pas om aan te geven: ik zit nog volop in het beroepsleven; ik heb haast. Tegelijkertijd is er de vraag: zal ik over een aantal jaar in zo’n groepje staan? En dan ga ik tellen. Als ik het tot mijn 65ste ‘rek’, heb ik nog acht jaar en zeven maanden voor de boeg. Als schrijver kun je aan de slag blijven, maar het doceren is dan – tenzij de wet inderdaad verandert – definitief achter de rug. In plaats van kennis door te geven, moet je zelf opnieuw gaan luisteren. Lezingen, workshops en cursussen worden vooral door de actieve gepensioneerde bijgewoond. Een mens moet zijn plaats kennen. De plaats van de gepensioneerde is in het publiek.

Seniorenkalender

Tussen 55 en 60 werkt nog iets meer dan de helft van alle Belgen. Drieënvijftig procent om precies te zijn. Tussen 60 en 65 zijn dat er nog twintig procent. Twintig! Als ik die cijfers lees, denk ik: ik ben oud. Ik moet gaan rusten. Uitbollen. Het kalmer aan doen. Ik weet ook wel dat 56 met geen enkele maatstaf jong kan worden genoemd, maar ik voel me niet oud. Ik voel me geen dag ouder dan toen ik pakweg vijfentwintig was. Dikwijls betrap ik me erop dat ik over mezelf in termen van ‘jong’ denk. Vervolgens corrigeer ik mezelf streng. Of word ik gecorrigeerd, zoals met het cadeautje dat het district Berchem voor mijn 56ste verjaardag stuurde: de seniorenkalender!

Een kleine enquête onder leeftijdgenoten toont dat mijn rooskleurig zelfbeeld niet uitzonderlijk is. Blijkbaar is de mens een wezen dat in ontkenning leeft. Ik vermoed dat een tachtigjarige zich ook nog ‘jong’ kan voelen. In mijn hoofd staat ‘gepensioneerd’ gelijk aan ‘oud’. Misschien moet ik dat dringend eens anders bekijken.

Wat doen ze?

Wat doen al die zich jong voelende, actieve gepensioneerden? Wat doen ze wanneer ze niet samen tentoonstellingen bezoeken en voorstellingen bijwonen? Wanneer ze zich niet laten gidsen door de een of andere stad? Of niet samen gaan zwemmen of aan yoga doen? Ik kan me perfect voorstellen dat er een heleboel jobs zijn waarvan je op een bepaald moment denkt: nu heb ik het wel gehad. En dat je opgelucht bent dat je met pensioen kunt gaan. Tegelijkertijd gaat er zoveel kennis en ervaring verloren. Is dat geen zonde? Gepensioneerden worden opnieuw behandeld als kinderen. Ze tellen niet meer echt mee. Het is opnieuw speeltijd. Dat kan best prettig zijn, maar het is ook wel bizar als je bedenkt dat het gaat over een groep met massa’s ervaring. Kan een maatschappij zich dat eigenlijk veroorloven? Die vraag wordt niet gesteld. Alle heil wordt bij jonge mensen gezocht. Naar hun ideeën, hun creativiteit, hun obsessies gaat alle aandacht. Op hen zijn de schijnwerpers gericht.

Mond houden

Ik begin te vermoeden dat de kunst van het gepensioneerd zijn erin bestaat je mond te houden. Dikwijls zal je het allemaal veel beter weten, maar je zwijgt want je weet dat naar die ‘oude zeur’ toch niet geluisterd wordt. ‘Ze moeten het zelf ondervinden!’ Dat hoor je oudere mensen vaak zeggen over jongeren. En het is waar. Iedere generatie moet opnieuw het wiel uitvinden. En het warm water. Als oudere kijk je met een glimlach toe. Of met een licht hoofdschudden. Misschien kan ik maar beter nu al beginnen met oefenen.

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Koning van Laken

12 / 01 / 2012
De kool en de geit sparen. Have your cake and eat it. Van twee walletjes eten. Aan uitdrukkingen geen gebrek om aan te geven dat pijnlijke keuzes niet noodzakelijk pijnlijk hoeven te zijn om de eenvoudige reden dat ze vermeden kunnen worden. Zo ook de keuze: koning of president. In Europa kennen we sinds jaar en dag de ijzeren wet: een land heeft een koning óf een president. Wordt er gekozen voor een president, dan moet de koning opstappen. En omgekeerd natuurlijk, al komt dat zelden voor.

Een koning staat nooit alleen

Een president op straat zetten is niet zo moeilijk. Je organiseert een afscheidsfeestje met fraaie speeches en je stopt de man of vrouw een pensioen in de handen. Einde verhaal. Van een koning ben je niet zo gemakkelijk verlost. Een koning staat nooit alleen. Er hoort een huis bij, een familie, een dynastie. Een koning houdt nooit op koning te zijn. Altijd houdt hij zich klaar voor de dag waarop hij opnieuw in zijn koninklijke hoedanigheid naar buiten kan treden. In zijn hart blijft hij altijd koning. En zijn gemalin koningin. Troon of geen troon, kroon of geen kroon, ze noemen hun kinderen prinsen en prinsessen, en brengen hun het besef bij van de grote verantwoordelijkheid die op hun schouders rust. Over onze kroonprins kun je denken of zeggen wat je wilt, maar over één ding kan geen twijfel bestaan: zijn bereidheid zijn taak op zich te nemen en de troon te bestijgen met Mathilde aan zijn zijde.

De laatste koning?

Ironisch of tragisch genoeg lijkt die bereidheid omgekeerd evenredig met de kans dat zijn ambitie in vervulling zal gaan. Zelfs wie het politieke leven de afgelopen jaren en maanden met een half oog heeft gevolgd beseft dat Albert weleens de laatste koning der Belgen zou kunnen zijn. Waar halen we de energie vandaan om in een nieuwe koning te geloven? Koning Filip. Nee, de rek is eruit.

Nu België de eerste president van Europa heeft mogen leveren, moet België misschien ook maar eens op zoek gaan naar een president voor zichzelf. Waarom eigenlijk niet Herman Van Rompuy? Die kent intussen het klappen van de zweep. Zou het geen fraaie fin de carrière voor hem zijn? Een dessertje voor na het Europese presidentschap. De eerste president van België!

Koning maar geen staatshoofd

En Filip? Die mag zijn vader opvolgen. Als koning. Maar niet als staatshoofd. Wat doet een koning wanneer hij geen staatshoofd is? Hij is koning. Niet langer koning der Belgen, want de Belgen hebben in dit scenario een president. De koning woont in zijn paleis. Daar is hij koning. Koning van Laken, dus. Hij behoedt tradities en rituelen. Hij is. Hij koningt.

Uiteraard ontvangt hij geen geld meer van de staat. Met de staat heeft hij niets meer te maken. Sterker zelfs: de staat zou kunnen vergaan, maar hij als koning blijft bestaan. Presidenten verwelken en regeringen vergaan, maar koningen blijven eeuwig bestaan.

Benin als voorbeeld

In het West-Afrikaanse Benin hebben ze dat al jaren begrepen. Het land heeft een president, maar telt talrijke koningen met paleizen en aanhang en alles wat bij een koning hoort. Wat ze doen? Ze zijn. Ze houden audiënties. Ze werken als een magneet voor toeristen. Zelfs het meest bouwvallige paleis waar ooit een koning heeft vertoefd, wordt door toeristen piëteitsvol bezocht. Geen hond reist kilometers en kilometers om een presidentieel paleis te bezoeken. Alleen het woord ‘koning’ heeft dat effect. Het woord ‘keizer’ ook natuurlijk, als superlatief van ‘koning’. Net als ‘sultan’. Voor hen willen mensen zich ook verplaatsen. Maar nooit voor een president.

Hoe je het ook draait of keert, een koning is iets bijzonders. Die zet je niet lichtvaardig aan de deur. En het hoeft dus ook helemaal niet. België kan een republiek worden, terwijl Albert rustig koning blijft. En daarna volgt Filip hem op. Als koning van Laken. Le Roi de Laeken. Misschien moet er maar eens een delegatie naar Benin worden gestuurd om te onderzoeken hoe ze het daar precies geregeld hebben gekregen.


@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees dus de regels - mod

Barack Di Rupo

15 / 12 / 2011
Ik lees ergens de vraag: Zal Di Rupo voor homo’s doen wat Obama voor zwart Amerika heeft gedaan? En ik denk: lap, ik ben dus niet de enige die in Di Rupo iets van Obama herken. Een dag later zie ik in The Guardian een foto die uit twee halve gezichten bestaat: een halve Marilyn Monroe en een halve Margaret Thatcher, en daarbij een lang artikel om te argumenteren dat die twee eigenlijk veel van elkaar weg hadden. Wist u dat ze bijna in hetzelfde jaar geboren zijn? Marilyn in 1926 en Margaret in 1925. Dat betekent op zich natuurlijk niets, maar je denkt toch: tiens, tiens. En allebei waren ze hard. Zo beweren mensen die hen goed kenden. En ze buitten hun vrouwelijke charmes uit. Toegegeven, de ene al wat meer dan de andere.

En toen zag ik met mijn geestesoog (wat een heerlijk ouderwetse uitdrukking!) hoe zo’n samengestelde foto van Di Rupo en Obama er zou kunnen uitzien. Een halve Barack en een halve Elio. Ze hebben min of meer hetzelfde model. Obama zal wel wat langer zijn, vermoed ik, maar het zijn allebei grote, slanke mannen met van die lange benen en een strak kontje, die goed tot hun recht komen in een jeansbroek. Allebei zijn ze gezegend met een onmiskenbare elegantie en een jongensachtige charme. Allebei kunnen ze een ontwapenende glimlach op hun gezicht toveren. Ze hebben een jonge uitstraling. Die ze cultiveren. En een openhartigheid, een zekere authenticiteit zelfs, in het praten over zichzelf. O ja, ze hebben ook allebei een stevige academische vorming op zak.

Afwezige vader

Wat hebben ze meer met elkaar gemeen? Een afwezige vader. Sterke moederfiguren. Een wat zwalpende, zoekende jeugd. Een identiteitscrisis, waarschijnlijk veroorzaakt door de afwezigheid van die vader. Vervolgens opgemerkt worden, kansen krijgen, goed weten wat ze willen. Outsiders zijn het. De kandidaat met het verkeerde profiel die het desondanks haalt. Obama: Afrikaanse vader; Di Rupo: jongste telg uit een gastarbeidersgezin. Italiaanse ouders. Homo.

Polariserend

Allebei willen ze een verzoenende rol spelen, allebei hebben ze – ironisch genoeg – een polariserend effect. Dat ligt niet aan hen, maar aan de situatie die ze hebben geërfd. Toch maken ze allebei de tegenstellingen heftiger en scherper. Hoewel het niet in hun bedoeling ligt. Obama wist dat hij president werd van een erg verdeeld Amerika, maar hield als kersverse president een gepassioneerd pleidooi voor samenwerking en solidariteit. Veel haalde dat niet uit.

Elk voorstel van hem werkt als een rode lap op een stier. De tegenpartij wordt almaar hysterischer en irrationeler in zijn aanvallen. Berucht zijn de wilde theorieën over zijn geboorte. Obama zou niet op Hawaï, maar in Kenia zijn geboren. Uiteindelijk zag hij zich gedwongen zijn geboorteattest aan de pers te laten zien om te bewijzen dat hij op Amerikaanse bodem geboren is, zoals dat hoort voor een president. Een vervalsing, schreeuwden zijn vijanden.

Eindeloos geduld

Ook Di Rupo wil in het erg verdeelde België een verzoenende rol spelen. Met eindeloos geduld is hij geslaagd in wat door velen niet meer mogelijk werd geacht: een beleid en een begroting ontwerpen waarachter een meerderheid zich kan schragen. In zijn eerste optredens als premier hamerde hij net als Obama op het belang van samenwerking en begrip. Hij wil de eerste minister zijn van alle Belgen, en dus wil hij het Nederlands onder de knie krijgen. Geen arrogantie, maar een duidelijk uitgestoken hand.

Schone mensen

Ik weet dat niet iedereen mijn mening deelt, maar ik vind hen allebei schone mensen. Goede mensen. Van Obama wordt gezegd dat hij ‘te goed’ is voor de politiek. Too decent, zijn de woorden die in de Engelstalige pers worden gebruikt. Hij zou het spel vuiler moeten spelen. Hij is te veel een gentleman. Een intellectueel.

Het is te vroeg om te voorspellen hoe het Di Rupo zal vergaan. Zal zijn populariteit stijgen, dalen? Zal hij de Vlamingen weten voor zich te winnen? Of zal hij – net zoals Obama – de tegenstellingen verder aanwakkeren? Het kan aan kleine dingen liggen. Zoals – ongetwijfeld – aan zijn Nederlands. Zal hij zijn belofte houden en zijn Nederlands bijspijkeren? Ik heb daar in alle eerlijkheid niet zo’n goed oog – of oor – in. Sommige mensen zijn nu eenmaal geen talenknobbels. Je kunt die zo dikwijls in een taalbad onderdompelen als je wilt, maar die taal ‘plakt’ niet aan hen.

Misschien volstaat het als hij kan blijven bewijzen dat hij echt wel zijn best doet. En een beetje geluk hebben met de begroting en de economie, dat zal ook wel helpen. It’s the economy , stupid. De gevleugelde woorden van die andere Amerikaanse president, Bill Clinton. Intussen ben ik wel nieuwsgierig naar die samengestelde foto: half Obama, half Di Rupo. Misschien duikt ze straks op Facebook op. Waarvoor bij voorbaat mijn dank.

@Allen: reageren op deze blog impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees de gewijzigde regels - mod

Muziek voor het leven

01 / 12 / 2011

 

Het lijkt een onuitroeibare traditie in dit land: de liefdadigheid. Vaagweg herinner ik me het zilverpapier en de dankbaar knikkende negerbeeldjes. Levendiger is de herinnering aan de wafelenbak, de kaartenverkoop en de sleutelhangerverkoop. Iedereen die ooit jong is geweest (en wie is dat niet), zal zich het geleur wel herinneren, het verkleumd staan bibberen op alle hoeken van de straat, het vergeefse aanklampen van gehaaste passanten, het aanbellen huis na huis. Het hoorde bij een jeugd in Vlaanderen. Auto’s schoonmaken, oud papier ophalen (‘papierslag’, zo heette dat), allemaal voor de goede zaak. Achteraf beschouwd had het veel weg van bezigheidstherapie, een bezigheid die de jeugd van de straat hield. Enfin, we trokken er de straat voor op, maar met een legitiem doel, een goed doel.

En toen op een dag werd het roer omgegooid. Het was tijd voor inzicht, ontnuchtering en analyse. We zaten in een parochiezaal, niet om af te spreken hoe we de kaarten/wafels/sleutelhangers aan de man of vrouw konden brengen, maar om te kijken naar documentaires over multinationals, over de prijs van grondstoffen, en over de weg van grondstof tot af product. Lichtjes gingen branden, ogen gingen open, her en der klonk een ahah. Al die liefdadigheid was een doekje voor het bloeden. Sterker zelfs, liefdadigheid hielp het systeem in stand houden. Gewetens werden gesust en aandacht afgeleid. Liefdadigheid hoorde bij uitbuiting zoals een klontje suiker bij een bitter medicijn.

Indien ‘de derde wereld’ (wat is het lang geleden dat we die term hebben gehoord!) een eerlijke prijs voor zijn grondstoffen en ertsen zou krijgen, zo leerden die documentaires ons, zou de eerste wereld zijn rekeningen omhoog zien schieten. Vroeg of laag zouden de verhoudingen anders komen te liggen. Dat laatste is intussen bewezen, wat niet betekent dat er nu op aarde rechtvaardigheid heerst. Dat zal, helaas, wel nooit het geval zijn. Maar het beeld van die arme sukkelaars in de derde wereld die niets hebben en afhankelijk zijn van onze grootmoedigheid, is toch wel bijgesteld. We hebben het nu over dynamische groeilanden en over nieuwe economische reuzen. En we beseffen dat ‘wij’ misschien wel iets kunnen leren van ‘hen’.

Bizar genoeg tast die evolutie de aloude traditie niet aan. Een nieuwe generatie heeft liefdadigheid ontdekt en in een nieuw, mediageniek kleedje gestopt: Music For Life. Met zijn allen er tegen aan, geen offer te groot, geen inspanning te zwaar voor het goede doel. Er is daar in die verre landen een probleem, en wij gaan dat oplossen. Zo kunnen ‘wij hier’ ons goed voelen. Niet alleen ‘goed’, maar ook ‘superieur’: ‘de mensen ginder’ hebben onze hulp nodig en wij kunnen die geven. Het is zelfs onze morele plicht. We knopen het nuttige aan het aangename. Music For Life is leuk, spannend, sexy, trendy, cool. Win-win. Zo wordt de illusie in stand gehouden dat wij een gidsland zijn in een gidsregio. Wij weten hoe het moet, wij hebben alles op een rijtje, wij dragen onze kennis en inzichten uit naar minder verlichte landen.

Ach, ik wil de pret niet bederven. Laat de muziek klinken en de euro’s rollen. Wees gul in deze barre tijden. En laten we hopen dat het geld goed wordt besteed. Maar laten we ook beseffen dat we met die soort acties misschien in de eerste plaats onszelf een dienst bewijzen. We voeden ermee een zelfbeeld, dat intussen door de feiten is achterhaald. En ook het beeld van ‘die sukkelaars ginder’ is achterhaald. Die ‘mensen in de verre landen’ zijn heus niet meer of minder slim, ondernemend, energiek dan wij. Soms denk ik: integendeel.

Kristien Hemmerechts

@Allen: reageren op deze bijdrage impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums; lees ze dus - mod

Diamonds are forever

17 / 11 / 2011

 

Ik kijk naar de ringen aan mijn vingers en stel me de vraag: mag ik die dingen dragen of niet? Zet ik er mijn leven mee op het spel? U kunt mijn ringen uiteraard niet zien, maar ze zijn weinig spectaculair: wit of geel goud versierd met af en toe een minuscuul diamantje. De verkeerde mannen gekozen, zult u misschien zeggen, en misschien hebt u gelijk. Het zijn er wel veel. Enfin, dat vind ik toch. Drie aan mijn linkerhand, twee aan de rechter, telkens aan de ringvinger. Daarin ben ik behoorlijk conservatief. In andere dingen trouwens ook.

Alle vijf hebben ze te maken met de mannen in mijn leven: mijn vader (zijn trouwring), mijn huidige man, mijn vorige man (onze beider trouwringen versmolten tot één ring). Ik beken: ik draag graag ringen. Maar ik heb niet de ‘joekels’ waarop nu op zo’n brutale manier in Knokke jacht wordt gemaakt. Misschien moet ik me gelukkig prijzen.

Ik vind ze wel indrukwekkend, die forse diamanten in ringen, aan kettingen en in oorbellen. Heel af en toe beland ik in een gezelschap met vrouwen die zich uitgedost hebben met hun trofeeën. Ik moet me dan altijd beheersen om er geen opmerkingen over te maken. Er valt immers niet naast te kijken. En het zíjn trofeeën. Ze zeggen: kijk eens hoeveel ik heb verdiend. Of kijk hoeveel mijn man heeft verdiend. Hoeveel hij aan mijn gat hangt. Of ik aan mijn gat hang.

Knokke, city of crime

In Knokke zijn ringen van honderd- à tweehonderdduizend euro gestolen. Honderd- à tweehonderdduizend euro! Ik had nooit beseft dat een ring zoveel kón kosten. Ik kan me ook niet voorstellen dat ik ooit zoveel geld zou neertellen voor een ring, zelfs indien ik het bedrag probleemloos kon ophoesten. Hoe mooi ik zulke ringen ook kan vinden, zelf zou ik ze nooit dragen. Waarom niet? Misschien is het een puriteinse reflex. Misschien schuilt er in mij een moralist die denkt: zolang er honger en ellende op aarde zijn kun je niet zoveel geld uitgeven aan luxe. Of aan een statusobject. Misschien maakt zoveel weelde me bang. Of zoveel vertoon van weelde. Misschien denk ik bijgelovig dat het ongeluk zal brengen. Ik probeer mezelf aan een psychologisch onderzoek te onderwerpen, want helemaal begrijpen doe ik het niet.

Nepjuwelen dragen

Wat zeker ook meespeelt – en nu betreed ik glad ijs – is dit: ik vind zulke joekels van ringen een tikkeltje vulgair. Echte chic, denk ik, loopt niet te koop met zichzelf. O, wat een vooroordeel! Maar helaas, het heeft diepe wortels in mijn denken. Misschien kent u argumenten om ze eruit te rukken. Dan hoor ik ze graag.

Mijn moeder vertelde altijd dat vrouwen wanneer ze uitgaan nepjuwelen dragen. Er bestond wel een ongeschreven wet: het authentieke exemplaar moest in hun kluis liggen. Mijn moeder bezocht – en bezoekt – iedere week de kapper en daar vernam ze die cruciale levenslessen. Als onvermijdelijke conclusie dringt zich op dat die vrouwen in Knokke zich bij de verkeerde kapper laten kappen. Anders waren ze op de hoogte van de gouden regel: de echte juwelen in de kluis, de waardeloze kopie aan je vingers, je oren of je hals.